Review De Gelderlander 23 februari 2006
"Ode aan het lichaam in Gemeentemuseum Het Rondeel"
door Antonie den Ridder
We zijn inmiddels gewend aan het gegeven, dat hedendaagse beeldende kunst
binnen het beleid
van gemeentemuseum het Rondeel een minder prominente rol is gaan spelen.
Minder tentoonstellingen
op jaarbasis en dit ten gunste van andere basistaken van het museum. Toch
is het bemoedigend
om te signaleren, dat weliswaar kwantiteit is ingeleverd, maar dat dit verlies
gecompenseerd
wordt in kwaliteit.
De huidige tentoonstelling, een duo-presentatie van Margot Kikkert en de
Schijndelse beeldhouwer
Jan Aldenhoven, kan als een paradepaardje gezien worden. Helderheid en samenhang
bepalen
de presentatie en een adequate inschatting van de mogelijkheden en beperkingen
van de expositieruimte
zorgt voor de balans in het samenspel. En dat is lang niet altijd een vanzelfsprekendheid
bij gemengde
presentaties van werk op het platte vlak en vrij in de ruimte staande objecten.
De volgende grap heeft een baard, maar illustreert fijnzinnig het onbegrip
tussen schilders en
beeldhouwers. Gevraagd naar een omschrijving van wat nu eigenlijk een beeld
is, zegt de schilder
bedachtzaam: “Een beeld is het ding waarover je struikelt, wanneer
je achteruit loopt om
een schilderij goed te bekijken”.
Jan Aldenhoven bewijst, dat het anders kan. Met slechts één
sculptuur, die gesitueerd in het
centrum van de ruimte van vloer naar plafond reikt. De 'Atlant', een mannelijke
variant van
de Griekse dames, die als zuilen het front van de tempel stutten. De boomvorm
is nog steeds
een herkenbaar gegeven in de gespierde gestalte. Hoewel het geheel op basis
van een schijnbare
functie, het dragen van een verdieping van het gebouw, een statische indruk
maakt,
weet Aldenhoven middels de draaiingen en welvingen in het hout beweging
te suggereren.
Rond deze as in de expositieruimte cirkelen de tekeningen van Margot Kikkert
als een wiel
van begeerte en lustvolle lichamelijkheid. Vijftien jaar geleden toonde
ze al vergelijkbare werken
in dit zelfde museum, maar de tijd heeft haar oeuvre gelouterd.
Met steeds minder middelen, een enkele lijn en een veeg geel of rood,
vangt ze de curven
van heup en rug. Een suggestieve choreografie van minnende en beminde lichamen,
die zonder
begin of eind rond lijkt te wervelen.
In een persoonlijk handschrift, dat de kracht van de zware contourlijnen
weet te paren aan de
gevoeligheid van een enkel zoekend priegellijntje, die het geheel compleet
maakt.
Een gouden greep, deze combinatie van werken en kunstenaarsvisies.


